De deskundigen van FDRB bezitten de specialistische kennis om DNA-bevindingen in de juiste context te plaatsen: de aard van het biologische spoor, de hoeveelheid, de mengprofielen en de uniekheid in relatie tot het delict. Wanneer DNA van een verdachte op een plaats delict of kledingstuk wordt aangetroffen, betekent dit niet automatisch dat diegene betrokken is geweest bij het strafbare feit. Er zijn diverse scenario's denkbaar, zoals indirecte transfer (secundaire overdracht), besmetting of eerdere aanwezigheid op een ander tijdstip.
FDRB toetst of het NFI-onderzoek conform de vigerende kwaliteitsnormen (ISO 17025) is uitgevoerd, of de statistische aannames kloppen en of alternatieve hypotheses zijn meegenomen.